Witte28′s Blog

januari 12, 2009

Dossieropdracht 12 – Samenwerkend leren

Gearchiveerd onder: Uncategorized — witte28 @ 6:06 pm

Ik vond achteraf dat mijn KZA-les veel te klassikaal was en dat ik te veel aan het woord was. Ik zou deze les nu heel anders hebben gedaan.
Een onderdeel welke ik sowieso zou veranderen, is het klassikaal bespreken van het huiswerk. Ik vond dat ik veel te veel aan het woord was en de leerlingen te weinig.

Ik zou daarom beginnen met een kleine samenwerkingsvorm, welke valt onder de samenwerkingsstructuur check-in-duo’s: huiswerkcontrole.

Na de voorkennis te hebben opgehaald, vertel ik aan de leerlingen dat ze in twee- of drietallen het huiswerk gaan controleren. Ik geef duidelijk aan dat ze de uitkomsten met elkaar gaan vergelijken. Wanneer ze verschillende antwoorden hebben, gaan ze eerst met elkaar discussiëren, totdat ze het met elkaar eens zijn. Pas als ze er samen niet uitkomen, roepen ze mij erbij. Ik loop door de klas en kijk of de leerlingen goed aan het werk zijn, maar ik let vooral op welke fouten er bij de meeste groepjes voorkomen. Die fouten bespreek ik wanneer de groepjes klaar zijn. De rest van de opgaven bespreek ik niet. Wanneer ze nog twijfelen, kunnen ze altijd bij mij komen kijken in het antwoordenboek en mij er nog vragen over stellen.

Ik merkte bij het langs lopen dat de meeste groepjes nog moeite hebben met de volgende opgaven. Deze wil ik nog even klassikaal met jullie bespreken. Zijn er nog meer opgaven die jullie graag klassikaal willen bespreken of waar je nog over twijfelt? Als het maar een of twee groepje zijn, bespreek ik die opgave niet klassikaal, maar kom ik bij jullie, wanneer de rest van de klas zelfstandig aan het werk gaat. Willen jullie me hieraan herinneren?
We gaan nu eerst opgave .. bespreken! Waar liepen jullie vast bij deze opgave? Zijn er sommige groepjes al verder gekomen? Leg uit? Zou je dit dan voor willen doen op het bord? Zo nee, dan schrijf ik met je mee!

Ik heb voor deze samenwerkingsvorm gekozen, omdat ik nog weinig ervaring heb met samenwerken. Dit een van de makkelijkst te organiseren werkvorm is, om mee te beginnen. Wanneer ik meer ervaring zou hebben hiermee, zou ik zowel het ophalen van de voorkennis, als de nieuwe stof in een samenwerkingsvorm gieten.
Ik zou in plaats van de voorkennis ophalen de samenwerkingsvorm oefenpartners hebben gedaan, waarbij leerlingen elkaar helpen de voorkennis op te halen.
Het inoefenen van de nieuwe stof zou ik doen in de samenwerkingsvorm oefenaars/conceptverhelderaars, waarbij leerlingen met elkaar de nieuwe vaardigheden gaan inoefenen en waarbij ze elkaar begrippen kunnen verhelderen. Ik denk dat het inoefenen in groepjes belangrijk was geweest, omdat ik te lang aan het woord was en er te veel informatie langs de leerlingen is gegaan. Ze waren er dan veel meer mee bezig geweest en hadden het gelijk met elkaar ingeoefend.

januari 6, 2009

Dossieropdracht 11b: BIT verslag hoofdstuk 4 “Een begin maken met samenwerkend leren”

Gearchiveerd onder: Uncategorized — witte28 @ 8:53 pm

Drie argumenten waarom samenwerkend leren een belangrijke instructiestrategie wordt gevonden:
1. effectief leren
Ik wil leren om minder te praten, maar de leerlingen meer zelf te laten oefenen en vooral met elkaar in discussie gaan, lijkt mij effectiever. Samenwerken stimuleert het hardop bewerken van kennis. De leerlingen leren hun gedachten te verwoorden van wat ze weten. Dit lijkt mij effectiever dan de leerlingen telkens stil met de sommen te laten oefenen.
2. organisatie van de onderwijsleersituatie
Ik wil deze organisatie eerst neerzetten in rustigere klassen en klassen die zelfstandiger zijn en die dit kunnen. Ik wil dit doen om hiaten eruit te plukken en dit bij deze klassen eerst te verbeteren. Wanneer dit dan soepeltjes loopt, wil ik het verder gaan uitbreiden.
3.  maatschappij
Ik vind samenwerken leren  een hele goede voorbereiding op de maatschappij voor de leerlingen. In de maatschappij krijgen ze met diverse mensen te maken. Ze moeten hier mee om leren te gaan en hebben collega’s niet voor het uitkiezen.

Bij het verschil tussen “bij elkaar zitten”en samenwerkend leren zie ik ook een paar onderdeeltjes die in mijn lessen ook zo zijn:
Bij de leerlingen zie ik weinig onderlinge afhankelijkheid. De groep wordt door de leerlingen vaak zelf bepaald, waardoor er te weinig kritisch naar elkaar wordt gekeken. Ik besteed soms te weinig aandacht  aan de groepsprocessen. Ik ben te veel bezig met de individuele leerling. Ik merk dat leerlingen in homogene groepen eerder over allerdaagse dingen gaan praten. Ik moet dan te veel als politieagent optreden en ze te vaak terechtwijzen. Ik heb soms de oplossing daarvoor niet paraat om de leerlingen in groepjes gemotiveerd te krijgen. Ik sta figuurlijk met de handen in het haar. Ik zou graag wat meer handvatten willen.
Ik vind zelf de volgende punten van samenwerkend leren het belangrijkst:
- De leerlingen moeten het gevoel hebben elkaar nodig te hebben en daarvoor is iedereen medeverantwoordelijk. Ik zie altijd leerlingen die er met een Jantje van Leiden af willen komen. Een andere leerling moet deze leerling tot de orde kunnen roepen. De andere leerlingen moeten deze leerling steunen en proberen diegene er weer bij te betrekken.
- Ik vind de instructie van de leerkracht heel belangrijk. Deze moet kort en duidelijk zijn, zodat de groepjes gelijk aan het werk kunnen. Ik las in het tussenstukje van docente Karin een hele goede en kordate werkwijze. De leerlingen wisten wat ze moesten doen. Ik wil dit zelf in mijn lessen gaan oefenen.

De vijf sleutelbegrippen voor de effectiviteit van het samen leren:
1. positieve wederzijdse afhankelijkheid
Ik vind dat de opdracht voor het samenwerkend leren zo gefomuleerd moet zijn dat er inzet van alle betrokkenen voor nodig is om het uiteindelijke doel te bereiken. Wanneer dit niet zo is, wordt de opdracht niet serieus genomen en krijg je scheve gezichten in het groepje, waardoor het samenwerken geen zin heeft. Ik vind dat bij het samenstellen van een groepje diverse leerlingen moeten zitten met verschillende eigenschappen. De ene leerling heeft de kennis, de ander is sociaal. De leerlingen moeten verschillende taken los van elkaar kunnen uitvoeren. De leerlingen krijgen rollen toegewezen, waarin ze onderling wel kunnen en mogen doorwisselen.
2. individuele aanspreekbaarheid
Ik vind dat iedere leerling in het groepje aanspreekbaar moet zijn op de gemeenschappelijke uitkomst. Ik vind dat ik, maar ook de groep, ervoor moet zorgen dat er geen meelifters zijn, maar proberen iedereen er telkens bij te betrekken. Wanneer het wel mis gaat met een leerling in een groepje, vind ik dat de leerlingen in het groepje de oplossing eerst moeten proberen te vinden. Wanneer ik zie dat deze uitwerking geen heil heeft, spring ik in en probeer ik voor een goede oplossing te zorgen.
3. directe interactie
Ik vind dat ik als docent moet letten dat de tafels en stoelen zo staan dat er zich geen groepslid buitengesloten kan voelen. Wanneer dit goed zal staan, zorgt dit voor directere communicatie. In die communicatie naar elkaar toe vind ik belangrij dat de leerlingen elkaar ondersteunen en aanmoedigen.
4. sociale vaardigheden
Ik vind het moeilijk om in een groep met een aantal eenlingen groepjes te gaan vormen en te laten vormen. Vooral in de vierde klas zitten een paar leerlingen die heel op zichzelf gericht zijn. Wanneer ik de klas zou laten kiezen, worden deze leerlingen als laatst gekozen of helemaal niet gekozen en wordt er hardop gezegd dat ze diegene niet willen. Wanneer ik de groepjes samenstel en deze minder sociale leerlingen in een groepje zet de leerlingen niet accepteren. Ik vind het moeilijk om hier mee om te gaan, omdat ik denk deze individuele leerlingen geen plezier te doen om ze in een groepje te laten samenwerken. Aan de andere kant leren ze ook niet om met andere leerlingen om te gaan. Ik blijf het lastig vinden voor mezelf, wat is nou de juiste keuze?
5. evaluatie en bijstelling van groepsprocessen
In mijn vorige verslag gaf ik al aan meer te willen evalueren met groepjes, wanneer ze samenwerken. Ik wil in deze reflectie niet de hoofdrol spelen, maar waar nodig bij te sturen.

Ik wil in dit verslag een klein verhaaltje schrijven wat mij heel erg raakte en onlangs is gebeurd.
De van der Capellenscholengemeenschap bestaat uit vier locaties: Zwolle, Dedemsvaart, Wijhe en Elburg. Ik werk zelf in Elburg. Dit ter zijdelingse informatie.
Deze scholengemeenschap organiseerde een klein filmfestival, waarin leerlingen in groepjes de tijd kregen een filmpje te maken en deze te presenteren aan de jury en aan de leerlingen van de school. Een meisje uit de eerste klas, sociaal niet sterk, ging alleen aan de slag. Ze had aleen heel veel plezier in het maken van het filmpje, terwijl alle andere groepjes bestonden uit meerdere leerlingen. Ze had het op een gehele eigenwijze manier gemaakt. Ze houdt van tekenen en heeft hier een animatiefilm van gemaakt met tekst en muziek eronder. Niemand, zelfs de jury, had verwacht dat er zo’n product uit zou komen, want ze hadden allemaal gewone filmpjes verwacht, welke met camera gemaakt zouden zijn. 
Bij ons op school werd er ter afsluiting een filmfestival gehouden, waarin de filmpjes waren te zien van de groepjes bij ons op school. Op het laatst werden de drie prijswinnaars bekend gemaakt van alle locaties. Zij kwam als grote winnaar uit de bus. Ze ging op haar manier helemaal uit haar dak. Ik vond het heel mooi en zelf een beetje ontroerend om te zien. Iemand die normaal zo weinig van zichzelf laat zien, was op dat moment de koning te rijk met haar eerste prijs. Ik wil hier mee aangeven en hoop dat jullie daarop willen reageren: Moet zo’n meisje met haar eigen talenten in een groepje worden gezet of moet ik haar als docent, dit meisje, haar eigen gang laten gaan? 

De drie samenwerkingsstructuren:
1. check in duo’s
Ik denk dat ik in dit stadium hier het eerst voor wil gaan, omdat dit het dichtst bij mijn karakter en mijn manier van lesgeven ligt. Ik wil dit vooral gaan gebruiken na de instructie bij het inoefenen van de opdrachten. De leerling gaat eerst individueel aan het werk. In duo’s vergelijken ze de antwoorden. Met een ander tweetal worden de andere antwoorden nog een keer gecheckt. Ik loop daarbij rond om vast te stellen welke opdrachten nog problemen opleveren voor de leerlingen. Ik bespreek als laatst alleen de opgaven die problemen opleverden.
2. denken-delen-uitwisselen
Ik wil deze binnen korte tijd gaan uitproberen. Ik denk niet dat het mij lukt om van sturende docent gelijk naar een terughoudende docent te gaan. Ik denk dat dit een proces is, waar ik in moet groeien. Ik vind het hierbij ook moeilijk om niet op een verkeerd antwoord van een leerling in te gaan, maar om verder gerichte vragen te stellen.
3. eenvoudige experts
Dit punt staat het verst af van mijn lesgeven op dit moment. Ten eerste heb ik weinig tijd om goede materialen op te zoeken en samen te stellen, zodat de groepjes er goed mee aan de slag kunnen. Ik kan hierbij niet terugvallen op collega’s die ook wiskunde geven. Ik vind het zelf ook moeilijk om welke opdracht het dan zou moeten gaan. Ik hoop hier wat meer aandacht aan te kunnen besteden.

 Er zijn drie stappen bij een lesontwerp:
1. gericht leergesprek vooraf aan een inleiding
2. overleg in groepjes tijdens de inleiding
3. gericht leergesprek achteraf

Ik ben een docent die zijn lessen goed wil voorbereiden. Vanaf volgende week krijg ik een digitaal bord. Het kost in de voorbereiding meer tijd om goede lessen in elkaar te draaien, maar als het eenmaal goed in elkaar zit, heb ik er een poosje wat aan en ik kan het in meerdere klassen gebruiken. Ik hoef dus niet telkens hetzelfde op het bord te zetten.
Ik kan de leerlingen veel meer laten zien met behulp van een digitaal bord. Dit kan zeker helpen bij een onderwijsleergesprek, wanneer ik een onderwerp of opdracht in de klas wil brengen.
Ik moet als ik meer wil gaan samenwerken strakker in de organisatie zitten en duidelijk zijn naar de leerlingen toe. De leerlingen moeten weten wat ze moeten doen en met wie. In mijn lessen zitten veelal dezelfde leerlingen naast elkaar. Om te voorkomen dat dit niet te eentonig wordt, wil ik de duo’s of groepjes op een leuke wijze door elkaar gooien.
Ik wil hierbij gaan letten op de tijd en me hier strak aan houden, zodat het niet saai en vervelend wordt. Deze inschatting vind ik vantevoren erg belangrijk.

Uit de negentien variaties in verschillende samenwerkingsstructuren wil ik een aantal kiezen die ik wil gaan toepassen in mijn lessen:
- huiswerkcontrole: de leerlingen gaan in duo’s het gemaakte huiswerk vergelijken. Hierbij wil ik ze eerst zelf laten discussiëren en als ze er echt niet uitkomen, kunnen ze mij inschakelen. De problemen die naar voren komen bij de meeste groepjes wil ik klassikaal bespreken.
- oefenaars/conceptverhelderaars: het hoofdstuk goniometrie blijft een moeilijk hoofdstuk voor sommige leerlingen. Ik wil leerlingen in de klas inschakelen om dit in groepjes te bespreken en elkaar bij de stapjes te helpen. Dit concept kan helderder werken dan wanneer ik constant weer opnieuw uitleg aan een leerling.
- toetsvoorbereiders: leerlingen proberen samen voor ogen te krijgen wat er wordt gevraag in een toets en wat de kernpunten zijn van het hoofdstuk. Ik wil aan leerlingen eens vragen om toetsvragen op te stellen en eventueel in de toets op te nemen.
- probleemoplossers: bij een hoofdstuk zoals goniometrie wil ik verschillende groepjes aan het werk zetten met verschillende vraagstukken. Deze proberen ze om de beurt voor de klas uit te leggen aan elkaar. Leerlingen moeten hierbij zoveel mogelijk op elkaar reageren, zonder te veel inbreng van mijn kant.

januari 5, 2009

Dossieropdracht 11a: BIT verslag hoofdstuk 8 “Wiskundeonderwijs in de basisvorming”

Gearchiveerd onder: Uncategorized — witte28 @ 9:31 pm

In mijn tijd op de mavo was het  heel veel individueel werken bij het vak wiskunde. De tijd is daarin wel veranderd. In ons PTA staandrie opdrachten die de leerlingen in groepsvorm moeten maken. Twee  groepsopdrachten buiten de klas in het derde leerjaar en één groepsopdracht in het vierde leerjaar in de klas. Ik laat de leerlingen kiezen tussen de opdrachten die ze moeten maken en welke ze het meest aanspreekt, dus het begint al met een stukje eigen verantwoordelijkheid waar ze samen over eens moeten zijn. Vorig jaar was mijn eerste jaar als wiskundedocent en het PTA was al vantevoren opgesteld, dus ik wist niet goed wat ik kon verwachten. Ik heb de leerlingen behoorlijk vrij gelaten in het werk. Ik wil er dit jaar wat korter op zitten en meer sturing aangeven. De meeste leerlingen hadden te weinig gedaan en de taken niet goed verdeeld. Ik wil nu duidelijk kunnen zien wat iemand individueel heeft gemaakt en waarin is samengewerkt. Ik geef ze een aantal punten, die ze zelf mogen onderverdelen.
Ik kreeg vorig jaar ook voor het eerst twee vierdejaars groepjes onder mijn hoede, die een sectorwerkstuk gingen maken. Ik merkte duidelijk het verschil tussen de groepjes. Bij het ene groepje hadden de jongens goed samengewerkt, maar bij het andere groepje had een meisje veel gedaan en de jongens hadden zich er gemakkelijk vanaf gemaakt. Ik heb de jongens duidelijk gemaakt dat ik nog iets eigens van hen verwachtte bij het presenteren van het werkstuk. Dit hebben ze goed op zich genomen en er kwam iets moois uitrollen.
Dit jaar heb ik twee andere groepjes gehad. Het leek een beetje op het jaar ervoor. Ik probeer ze zelfverantwoording bij te brengen en ze te stimuleren. Een groepje met twee rustige meisjes had een heel mooi verslag gemaakt, zonder veel sturing, maar ze kwamen op de goede tijden wel om hulp vragen. De andere meisjes waren enthousiast over hun onderwerp, maar ze hadden de essentie van het verslag niet begrepen. Ze kwamen te laat om hulp vragen, waardoor ze tijd te kort kwamen om het verslag nog goed aan te passen. De presentatie van deze meiden zag er wel het best uit van alle vierdeklassers. Ik gaf ze net aan een voldoende. Hier was een meisje niet echt mee eens, omdat ze vond dat de presentatie er zo gelikt uit zag. Ik heb haar verteld dat het hier niet alleen om de presentatie ging, maar dat het verslag net zo belangrijk was. Ze begreep mijn punt en gaf toe dat ze te laat een afspraak gemaakt hadden en dat ze er gezamenlijk niet goed aan gewerkt hadden.
Ik hoop voor volgend jaar dat we de groepjes eerder toegewezen krijgen, omdat de meeste groepjes al een onderwerp hadden en waren begonnen. Ik wil zelf strakker in de begeleiding zijn en er meer bovenop zitten, zodat ik het samenwerkingsproces goed kan volgen. Ik kan de groepjes eerder aansturen, wanneer ze een verkeerde richting opgaan. Ik vind het wel belangrijk dat er eigenheid in zit en dat ze enthousiast blijven.

Ik wil in mijn lessen gaan werken aan vormen van samenwerken. Ik wil dit eerst gaan proberen in tweetallen en daarna uitbreiden naar grotere groepen. Ik vind dat ik nu te vaak zelf aan het woord ben en de leerlingen elkaar te weinig laat helpen. Ik vind juist belangrijk dat leerlingen elkaar opgaven kunnen uitleggen. Zij kunnen elkaar misschien wel beter uitleg geven, dan ik. Ik wil er wel voor zorgen dat de groepen bij elkaar passen en dat het juist niet op een leerling zijn/haar schouders terecht komt. Ik wil dat de leerlingen aandacht voor elkaar hebben en dat iedereen een inbreng heeft. Ik wil hier sturing in aanbrengen door langs te lopen bij de groepjes of door niets te zeggen in het groepje gaan zitten. Ik wil dit vooral gaan proberen in de bovenbouw en vooral in deze tijd, nu het tweede tentamen eraan zit te komen.

Ik ben een docent die snel de neiging heeft het werk voor de leerling te doen. Ik betrap me er zelf wel eens op, dat ik te enthousiast en te veel aan het woord ben. Ik moet de leerlingen meer laten nadenken over bepaalde wiskundige problemen. Ik ben hier al wel mee bezig. Vooral bij een rustig meisje uit de vierde klas was ik te enthousiast. Ik wilde haar te veel helpen, maar ik zag dat ze steeds tegen hetzelfde probleem aanliep. Ik ben net voor de vakantie een keer bij haar gaan zitten na schooltijd en heb zoveel mogelijk uit haar proberen te laten komen. Ik zag nu veel beter waar ze vastliep en daar kon ik dan op inspringen door kleine tips te geven.

Ik merk aan mezelf heel vaak dat ik te snel wil en te veel bezig ben met dat het af moet, anders komen we niet door de twee boeken heen. Ik zie dat dit niet altijd de goede manier is, omdat ik het belangrijker vind om bij wiskundige problemen langer stil te staan en meer uit de leerlingen moet laten komen. Ik geef te snel aanwijzingen en ben te gericht op het antwoord. Ik wil meer een beroep gaan doen op wat de leerlingen zelf aankunnen, zodat ze hun mogelijkheden kunnen vergroten en zodat het beter blijft hangen. Ik vind het ook moeilijk om de touwtjes uit handen te geven. Zelf de controle hebben is toch het gemakkelijkst!

Soms voel ik me wel eens machteloos, wanneer leerlingen geen ene fluit uitvoeren, zowel in de klas als thuis. Ik word negatief naar deze leerlingen toe, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Dit is tevens niet bevordelijk voor een goede samenwerking. Ik wil deze leerlingen graag op een positieve manier aan het werk krijgen. Ik heb hier een leervraag van gemaakt en ga verschillende dingen uitproberen.
Ik ben wel een docent die luistert naar de leerlingen en ook wel eens in gaat op voorstellen van de leerlingen. Ik probeer leerlingen zoveel mogelijk serieus te nemen. Ze hebben soms ook betere ideeën, waar ik zelf helemaal niet bij stil heb gestaan. Ik ben niet iemand die dat niet wil toegeven. Ik probeer me kwetsbaar op te stellen. Het is soms “geven en nemen”.

Ik wil goede voorbereidingen treffen bij het samenwerken van groepjes. Ik wil dat ze zelfstandig aan het werk kunnen, zonder mij te storen. Het moet duidelijk zijn wat ze moeten doen en ik moet duidelijk aangeven dat ze mij niet kunnen storen. Ik wil door deze samenwerking in de klas, meer aandacht gaan besteden aan zwakkere leerlingen. Ik wil dit doen door een extra instructie groepje, waarin ik de begeleider eerst ben. Als dat goed gaat, kan ik later iemand anders het groepje laten leiden, zonder er zelf mee te bemoeien.
Ik maak de leerlingen duidelijk dat fouten maken mag en dat iedereen fouten maakt. Die fouten kan de leerling zelfs op weg helpen naar een goede oplossing en een beter inzicht.

Ik ben een docent die niet zoveel op zijn stoel zit. Ik sta heel veel in de klas en loop veel rond. Ik gun mezelf weinig rust om lekker rustig te kijken of het goed gaat. Ik vind het wel belangrijk om de groepjes goed in de gaten te houden. Ik wil hierbij vooral letten op de zorg voor het individuele werk, doet iedereen wel mee en loopt de samenwerking wel goed!
Ik ben iemand die staat voor een goede sfeer in de klas, dus ook met het samenwerken moet er een goede sfeer zijn. Als het niet goed zal gaan in een groepje, zal ik snel ingrijpen. Ik vind dat leerlingen naar elkaar moeten luisteren en ik wil duidelijk hebben waarom iemand vijandiger doet.
Ik vind wel dat samenwerken voordeel moet opleveren. Als leerlingen met tegenzin in een groepje gaan werken, hoeft het voor mij niet. Ik vind alle leerlingen ook niet geschikt om in een groepje te werken. Ik merk dat ze liever alleen werken en dat hen dat veel meer oplevert. Wanneer ik in mijn lessen bezig ga met groepswerk, wil ik er veel tijd in stoppen. Ik geef steun waar het moeilijk gaat en houdt in de gaten hoe het samenwerken verloopt. Ik wil hier ook met de groepjes over reflecteren.

Het lijkt me best moeilijk om in mijn lessen leerlingen in groepjes te laten werken. Ik wil hierbij vooral letten op:
- ik wil zorgen voor een geleidelijke overgang, zodat ik zoveel mogelijk aansluit bij het klassikale werk wat gebruikelijk is.
- ik wil problemen zoveel mogelijk met de leerlingen bespreken.
- ik wil bij andere collega’s kijken, hoe het er bij hen aan toe gaat.

Thema: Banana Smoothie. Blog op Wordpress.com.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.